7/17/2020
ECLI:NL:PHR:2019:592, Parket bij de Hoge Raad, 17/03392
onderhavige geval mijns inziens genoegzaam uit de getuigenverklaring van hun collega [betrokkene 1] ,
inhoudend dat de UPP geld gaf aan mensen om ervoor te zorgen dat zij op die partij zouden stemmen, in
combinatie met de verklaring van de verdachte zelf, waarin hij heeft aangegeven dat [medeverdachte 2] en zijn
collega’s langskwamen voor financiële hulp, dat hun informatie werd ingewonnen om te controleren of zij
stemgerechtigd waren en dat er werd geprobeerd om ze over te halen om voor die partij te stemmen. Voor
zover de steller van het middel erop wijst dat de enveloppe die [medeverdachte 4] van [medeverdachte 2]
heeft aangenomen slechts $300 en niet de overeengekomen $700 bevatte, wijs ik erop dat bewezenverklaard is
dat de verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] “heeft omgekocht door een gift en/of belofte, te
weten geld”. Welk gedeelte van de overeengekomen $700 uiteindelijk in een gift is omgezet en welk deel niet
meer dan beloofd is, is van ondergeschikt belang en staat zodoende aan de bewezenverklaring niet in de weg.
Ook deze deelklachten falen.
8 Het tweede middel
8.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd tot bewezenverklaring
van de poging tot omkoping van politieambtenaren [medeverdachte 3] of [betrokkene 1] is gekomen.
8.2. Aan het middel is ten eerste ten grondslag gelegd de opvatting dat uit de bewijsconstructie niet kan volgen dat
een begin van uitvoering van het misdrijf heeft plaatsgevonden, zodat niet kan worden gesproken van een
poging. In de toelichting verwijst de steller van het middel naar hetgeen onder B in het eerste middel is
aangevoerd. Ook ten aanzien van deze poging tot omkoping zou volgens de steller van het middel niet uit de
bewijsmiddelen kunnen blijken dat de verdachte door het aanbieden van enige gift of belofte [medeverdachte
3] en/of [betrokkene 1] heeft geprobeerd om te kopen. Voor zover daartoe is aangevoerd dat niet zou kunnen
blijken van het doen van een aanbod, zij verwezen naar hetgeen daaromtrent in het voorgaande onder 7.7 is
besproken. Ook ten aanzien van de poging tot omkoping van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] blijkt uit de
getuigenverklaring van laatstgenoemde genoegzaam dat de verdachte geld heeft aangeboden, terwijl hij
probeerde om ze over te halen om voor die partij te stemmen. Mijns inziens geeft het oordeel van het hof dat
ten aanzien van [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 1] tot bewezenverklaring van poging tot omkoping kon
worden gekomen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op hetgeen in het voorgaande onder 7.4 is
vooropgesteld en op de omstandigheid niet kan worden vastgesteld dat dat de gift en/of belofte (geld) door
(een van) hen is aangenomen. Temeer nu het hof heeft overwogen dat de derde enveloppe die door de
verdachte aan [medeverdachte 2] is gegeven met de kennelijke bedoeling die aan [medeverdachte 3] of
[betrokkene 1] te geven, maar dat die geen van beiden heeft bereikt alsmede dat het voornemen van de
verdachte om dit geld aan een van hen te geven in ruil voor een stem op de UPP, is de kennelijke opvatting van
het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van de omkoping niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt dit
middel.
8.3. Voor zover tot slot aan het middel ten grondslag is gelegd dat doordat het hof heeft verzuimd te kiezen of de
bewezenverklaarde omkoping ten aanzien van [medeverdachte 3] of [betrokkene 1] is begaan, niet op
grondslag van de tenlastelegging over het bewijs is geoordeeld en zodoende in het midden zou zijn gebleven of
straf is opgelegd wegens de omkoping van [medeverdachte 3] of die van [betrokkene 1] , wijs ik erop dat de
rechter niet altijd verplicht is om een keuze te maken tussen alternatieven in de tenlastelegging.11 Gelet op het
in de voorgaande besprokene kon de keuze in het onderhavige geval achterwege blijven, omdat de door de
bewijsmiddelen opengelaten alternatieven door de bewijsmiddelen worden geschraagd.12
8.4. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
9. Beide middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
10. Ambtshalve wijs ik er nog op dat namens de verdachte op 11 mei 2017 beroep in cassatie is ingesteld.
Ingeval de Hoge Raad niet binnen twee jaren sedertdien uitspraak zal doen, kan dat zonder gevolg blijven gelet
op de aan de verdachte opgelegde straf, nu die een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete
ter hoogte van NAf 300 betreft. Overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de
bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:592&showbutton=true&keyword=verkiezingen
7/8