7/17/2020
ECLI:NL:PHR:2019:592, Parket bij de Hoge Raad, 17/03392
7.5. In het begrip ‘omkopen’ ligt de aanneming besloten, reden waarom uit de memorie van toelichting bij de
wetsartikelen over ambtelijke omkoping (thans: art. 177 en 178 SrNL) blijkt dat die term is vermeden, om voor
die gevallen reeds het aanbieden strafbaar te stellen.7 Blijft het bij een aanbieding tot het verschaffen van een
gift in ruil voor de uiting bereidwillig te zijn om te voldoen aan het verzoek van de aanbieder om het kiesrecht
op bepaalde wijze te voldoen, dan zal slechts sprake zijn van een poging tot omkoping in de zin van art. 126
SrNL.
7.6. Het middel klaagt als eerste (onder A.) dat de motivering van de bewezenverklaring tekortschiet voor zover die
inhoudt dat de verdachte als vertegenwoordiger van de United People Party (hierna: UPP) handelde. Volgens de
steller van het middel had het hof ingeval het gemeend zou hebben dat de verdachte de schijn gewekt heeft dat
hij in die hoedanigheid optrad, en dat het wekken van schijn voldoende is om aan de delictsomschrijving te
voldoen, dat in de bewijsoverweging tot uitdrukking moeten brengen. De kennelijke opvatting van de steller dat
art. 132 (oud) SrNA een kwaliteitsdelict betreft, waarbij de delictsomschrijving een bepaalde hoedanigheid van
de pleger als bestanddeel bevat, is echter onjuist.8 Zodoende behoeft het niet onomstotelijk vaststaan van de
rol die de verdachte had binnen de UPP en in welke mate hij bevoegd was namens die partij te handelen, niet
aan de bewezenverklaring van omkoping in de zin van art. 132 (oud) SrNA in de weg te staan.9 Overigens vind
ik het oordeel van hof dat de verdachte als zodanig kon worden aangemerkt niet onbegrijpelijk, gelet op de uit
de gebezigde bewijsmiddelen gebleken omstandigheden dat zijn kantoor gevestigd was in het kantoor van
partijleider van de UPP [betrokkene 2] , dat hij zelf verklaard heeft dat hij betrokken was bij de partij en dat hij
verantwoording moest afleggen aan die [betrokkene 2] . Voor zover het eerste middel zich voorts blijkens de
toelichting (onder D.) keert tegen het oordeel van het hof voor zover daarin besloten ligt dat het niet alleen aan
[medeverdachte 4] , maar ook aan [medeverdachte 2] de hoedanigheid van politieambtenaar heeft toegekend,
gaat een vergelijkbare redenering op. Het beoordelen of sprake is van omkoping van ambtenaren is hier immers
niet aan de orde. Bovendien kan de stelling dat [medeverdachte 2] als ‘soldaat bij het Vrijwilliger Korps Sint
Maarten’ niet is aan te merken als ambtenaar, laat staan politieambtenaar, waardoor het hof niet had mogen
oordelen dat aan de gebruikte bewijsmiddelen kon worden ontleend dat de verdachte meerdere politieagenten
heeft omgekocht, worden ontzenuwd op basis van de begripsbepaling van ‘ambtenaar van politie’ in de Rijkswet
politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba10:
“a. ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
b. ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en ander taken ten dienste van de
politie;
c. vrijwillige ambtenaren aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.”
In zoverre faalt het middel dus.
7.7. Voorts klaagt het middel (onder B.) dat van voltooide omkoping niet uit de bewijsmiddelen kan blijken, omdat
daaruit niet volgt dat [medeverdachte 4] een gift en/of belofte van de verdachte heeft aangenomen. Anders
dan de steller van het middel kennelijk meent behoeft niet te worden vastgesteld dat de ‘omgekochte’ in de zin
van art. 132 (oud) SrNA de gift rechtstreeks moet hebben aangenomen van de ‘omkoper’. Zoals blijkt uit het in
het voorgaande vooropgestelde is het delict immers voltooid bij het bereiken van overeenstemming tussen
beide partijen. Vaststaat dat [medeverdachte 4] een bedrag van $300 overhandigd heeft gekregen. Via welke
weg de gift hem uiteindelijk heeft bereikt en of de verdachte op de hoogte is gesteld van het ontvangst doet
niet ter zake. Voor zover geklaagd wordt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de belofte dat het resterende
bedrag na de verkiezingen zou worden betaald, door [medeverdachte 2] bij het overhandigen van de enveloppe
aan [medeverdachte 4] is overgebracht, kan ook deze omstandigheid aan het voorgaande niet afdoen.
Bewezenverklaard is immers kortweg dat de verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heeft
omgekocht door een gift en/of een belofte, te weten geld. Ten aanzien van het bereiken van die
overeenstemming keert de steller van het middel zich (onder C.) tegen het oordeel van het hof dat daarvan
sprake was, omdat uit de bewijsmiddelen niet zou kunnen blijken dat [medeverdachte 4] zich heeft verbonden
om op de UPP te stemmen. Om tot bewezenverklaring van het onderhavige feit te komen lijkt mij, anders dan
de steller van het middel meent, echter niet vereist dat uit de bewijsmiddelen (letterlijk) blijkt dat de verdachte
heeft aangegeven dat [medeverdachte 4] op zijn partij moet stemmen of die [medeverdachte 4] zijn stem
expliciet ‘te koop’ heeft aangeboden. Het overtuigen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] blijkt in het
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2019:592&showbutton=true&keyword=verkiezingen
6/8