Deze bepaling eist, zoals gezegd, niet een gelijk maken maar een gelijk behandelen. Volgens
verzoekster wordt de uitkomst van de verkiezingen conform het huidige kiesstelsel als
discriminatoir ervaren en is tevens een onjuiste weerspiegeling van de wil van het volk. Onder
het gelijkheidsbeginsel als grondrecht wordt verstaan: “gelijke gevallen moeten gelijk worden
behandeld en ongelijke ongelijk”.
Het gelijkheidsbeginsel is een algemeen principe dat iedere burger (wettelijk) gelijke rechten
en een gelijke behandeling in gelijke gevallen toekent.33
Volgens het Hof dienen de artikelen 8 jo. 55 Grondwet in samenhang met elkaar te worden
gelezen en geïnterpreteerd. De uitkomst van de verkiezingen brengt niet de soevereine wil
van het volk tot uitdrukking, waardoor niet elke stem hetzelfde gewicht heeft bij de toekenning
van de zetels. Hierdoor is er strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en het
discriminatieverbod.
Artikel 52 lid 2 c.q. artikelen 57 en 59 Grondwet geven aan, dat elke Surinaamse burger door
de overheid in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan de algemene, vrije en
geheime verkiezingen. In de Kiesregeling wordt aan iedere Surinaamse burger de
mogelijkheid geboden deel te nemen aan de algemene, vrije en geheime verkiezingen
ongeacht etniciteit, geloofsovertuiging, politieke overtuiging, geslacht, economische positie of
sociale status. Hetgeen betekent dat elke Surinamer die de kiesgerechtigde leeftijd heeft
bereikt een gelijke kans heeft om een stem uit te brengen. Artikel 8 in samenhang met artikel
52 lid 2 van de Grondwet benoemen het non-discriminatie beginsel in het actief en passief
kiesrecht.
Bij de toekenning van dit kiesrecht wordt geen ongelijkheid geconstateerd. Dit kiesrecht wordt
aan een ieder verleend, behoudens de wettelijke uitzonderingen. Zo heeft een ieder het recht
om een stem uit te brengen voor het kiezen van volksvertegenwoordigers en heeft een ieder
eveneens het recht te worden gekozen in de volksvertegenwoordigende organen. Van
gelijkheid is alleen sprake indien bij de uitoefening van dat kiesrecht het resultaat moet leiden
tot een voor een ieder gelijkwaardige uitkomst.
In casu gaat het steeds om de uitkomst van elke verkiezing, welke als discriminatoir of
ongelijkwaardig wordt ervaren door delen van de samenleving. Door verzoekster is gesteld,
dat bij de laatste verkiezingen in 2020 in Coronie 1.051 stemmen nodig waren voor 1 zetel,
terwijl er in het district Wanica 13.233 stemmen vereist waren voor een zetel in dat district.
Een stem in het district Coronie heeft 12 maal zoveel meer stemgewicht dan een stem in het
district Wanica.
Volgens het Hof is het verschil in stemgewicht, ingevolge de artikelen 9 jo. 24 Kiesregeling in
strijd met het in artikel 8 Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en non-discriminatie.
In de Kiesregeling van 1987 heeft de wetgever gekozen voor een bepaalde verdeling van
zetels in de 10 districten op basis van het inwonertal en op grond van “positieve discriminatie”
van enkele districten.
33 Van der Pot, 2006, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, bewerkt door Prof. Mr. D.J. Elzinga, Prof. Mr. R. de Lange, m.m.v. Mr. H.G.
Hoogers, Kluwer-Deventer, vijftiende druk, p. 301.
Page 16 of 27