1. RECHTSMACHT VAN HET CONSTITUTIONEEL HOF
De toetsingsbevoegdheid van het Constitutioneel Hof (Hof) wordt geactiveerd door een
verzoek van een toetsingsgerechtigde. Hierbij is van het beginsel van lijdelijkheid van het Hof
uitgegaan.1 Gegeven dit uitgangspunt ligt het niet aan het Hof om buiten de door de
verzoekgerechtigde geformuleerde gronden, ambtshalve te oordelen over de vraag of ook
bepalingen die betrekking hebben op andere delen in de wet zowel constitutioneel dan wel
verdragsconform zijn.
Het Hof heeft echter, ingevolge artikel 19 lid 2 Wet Constitutioneel Hof ambtshalve de
bevoegdheid de gronden waarop het verzoek tot toetsing is gebaseerd aan te vullen. Deze
aanvulling moet zijn ingegeven door de noodzaak met de in verband van de toetsing vereiste
volledigheid van de gronden.2
Het Hof is van oordeel dat zij bevoegd is om de gestelde rechtsvraag betreffende toetsing van
de Kiesregeling aan de Grondwet en Verdragen te beantwoorden doch niet om een ander
kiesstelsel voor te schrijven. Die bevoegdheid komt volgens artikel 70 jo. 83 lid 3 sub b
Grondwet toe aan de wetgever.3 Op grond van artikel 70 Grondwet wordt de wetgevende
Macht door De Nationale Assemblée en de Regering gezamenlijk uitgeoefend.
Indien het Hof oordeelt dat er sprake is van strijdigheid met een wet of delen ervan met de
Grondwet en aan van toepassing zijnde overeenkomsten met andere mogendheden en
volkenrechtelijke organisaties c.q. Verdragen dan is het directe rechtsgevolg dat uit artikel 144
lid 3 Grondwet voortvloeit dat de wet of gedeelten daarvan conform artikel 28 lid 1 wet
Constitutioneel Hof onverbindend zijn met ingang van de dag van de beslissing van het Hof.
Dit betekent dat de wet of delen daarvan niet meer van toepassing zijn en dus niet meer
kunnen worden toegepast en dus geen rechtskracht meer hebben. Het normadressaat van de
wet Constitutioneel Hof is dat het zich richt tot een ieder. Voor het intreden van dit rechtsgevolg
is er geen nadere rechtshandeling vereist.4
Indien het Hof oordeelt conform artikel 28 lid 2 Wet Constitutioneel Hof, dat in een wetsontwerp
strijdigheid met één of meer bepalingen van de Grondwet of een volkenrechtelijke
overeenkomst bestaat, dan wordt het advies over de toetsing van het desbetreffende
wetsontwerp naar De Nationale Assemblée gezonden.5
1 MvT Wet Constitutioneel Hof.
2 Artikel 19 lid 2 Wet Constitutioneel Hof.
3 Artikel 83 lid 3 sub 3 GW ´´Een meerderheid van ten minste 2/3 deel van het grondwettelijk aantal leden van De Nationale Assemblée is vereist
voor het nemen van een besluit inzake:
a. het wijzigen van de Grondwet;
b. het wijzigen van de Kiesregeling, voor zover het de in artikel 60 aangegeven onderwerpen betreft;
c.
het kiezen van de President;
d. het kiezen van de Vice-President;
e.
het houden van een Verenigde Volksvergadering, behoudens het bepaalde in artikel 181 lid 2;
f.
het houden van een volksraadpleging.”
4
MvT Wet Constitutioneel Hof, p. 19-21.
5 Artikel 12 lid 3 Wet Constitutioneel Hof: De Nationale Assemblée kan voordat er een definitief besluit wordt genomen over een
wetsvoorstel, het Hof verzoeken zich uit te spreken over de al dan niet verenigbaarheid van het wetsvoorstel met één of meer bepalingen van
de Grondwet en aan de burgers verbindende bepalingen van overeenkomsten met andere mogendheden en met Volkenrechtelijke
organisaties, hieran te noemen: volkenrechtelijke overeenkomsten.
Page 2 of 27