na 15 jaren te evalueren en na te gaan of aanpassing van de Kiesregeling dient plaats te
vinden of dat deze regeling moest vervallen. “Door een goed ontwikkelde decentralisatie zou
de districtsontwikkeling de nodige aandacht krijgen waardoor de bijzondere aandacht van
DNA-kandidaten niet meer zo dringend zou zijn”.19
Volgens Van der Pot wordt deze vorm van bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van een
gebied middels toekenning van extra zetels, aangeduid als “positieve discriminatie”. Deze
“positieve discriminatie” is geoorloofd, indien groepen die in een achterstandspositie verkeren,
een voorkeursbehandeling krijgen om uit de achterstand te geraken. Vervolgens kan het gaan
om het streven naar gelijkstelling in de toekomst. Het is een soort voorkeursbeleid welke kan
voortvloeien uit de wens om een zekere diversiteit in de samenstelling van bepaalde colleges
te bereiken.20
Deze vorm van “positieve discriminatie” is echter niet ongelimiteerd en dient derhalve na een
bepaalde periode geëvalueerd te worden. Indien deze voorkeursbehandeling na een periode
van nu 35 jaar bekeken wordt, wordt het door delen van de samenleving als bovenmatig
ervaren en is het gedenatureerd in een ongerechtvaardigde en ongelijke behandeling. De
groei van het inwoneraantal in bepaalde districten in de afgelopen jaren hebben ertoe geleid,
dat de huidige zetelverdeling en de ongelijkheid van stemgewicht in de verschillende districten
wordt ervaren als een ongelijkwaardige participatie op besluitvormingsniveau. De
rechtvaardigheid en functionaliteit van een kiesstelsel verschilt in een land van periode tot
periode zoals uit de historie van het huidige kiesstelsel van Suriname blijkt, waardoor deze
ook vaker is gewijzigd.
7. ENIGE OVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT DE KIESREGELING (S.B. 1987, no.
116 l.l. gewijzigd bij S.B. 2019 no. 55) EN DE GRONDWET VAN DE REPUBLIEK
SURINAME
(7.1). Het Kiesrecht
Het kiesrecht wijkt op een aantal punten af van de klassieke grondrechten. Het belangrijkste
onderscheid tussen het kiesrecht en de overige klassieke grondrechten is hierin gelegen dat
het doel van het kiesrecht vastligt, terwijl dit met de overige grondrechten niet het geval is. De
uitoefening van het kiesrecht moet leiden tot een goede bezetting en functionering van de
vertegenwoordigende ambten. Het kiesrecht heeft dan ook een veel sterker instrumenteel en
institutioneel karakter dan de overige klassieke grondrechten.21
Het kiesrecht is een politieke grondrecht waardoor het kan worden onderscheiden van de
economische, de sociale en de culturele grondrechten. Als politiek participatierecht oefent het
kiesrecht een spil functie uit bij de werking van het politiek- democratisch regeersysteem. Het
democratisch karakter van een regeerstelsel wordt in vergaande mate bepaald door de
vrijheid waarmee het kiesrecht kan worden uitgeoefend en door de wijze waarop het
kiesstelsel is geregeld. Van beslissende betekenis in dat verband is vooral in hoeverre het
kiesrecht en kiesstelsel toelaten dat de politiek pluriforme samenleving uitdrukking kan krijgen
in de politieke en bestuurlijke besluitvorming.22
19 Wijdenbosch Jules, Legitieme democratie, mei 2021, 1ste druk, Paramaribo p. 53.
20 Van der Pot, C. W. Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, uitgever Wolter Kluwer 15e druk.
21 Kortmann C. A. J. M., Constitutioneelrecht zevende druk, 2017, p. 442.
22 Flisinga D. J., 1997 p. 27 en 28.
Page 10 of 27